Zoeken op kernwoord

Vul hieronder een kernwoord en druk op zoek


Nieuwsarchief

Klik hier om het nieuwsarchief te bekijken

Aanmelden nieuwsbrief

Ingrijpende verandering: beleidsprikkels nodig in klimaatbeleid


Welke beleidsprikkels dragen bij aan het klimaatakkoord? Het planbureau voor de Leefomgeving (PBL) publiceerde in juli 2016 de rapportage ‘Opties voor energie- en klimaatbeleid’. De studie laat zien dat een emissiereductie van 80 procent of meer in 2050 verder gaat dan wat er op basis van huidige ontwikkelingen, met inbegrip van het vastgestelde klimaatbeleid, kan worden verwacht. Een verkenning naar opties in de ‘sectoren’ van de gebouwde omgeving, verkeer, industrie, landbouw, CO2-opslag, elektriciteitsvoorziening en de productie van groene brandstoffen is in dit nieuwsbericht samengevat.

 

Doelstelling aanscherpen: 80% reductie van uitstoot in 2050

Het rapport maakt de vertaling van de doelstelling van het Parijse Klimaatakkoord naar de benodigde reductie in de uitstoot van broeikasgassen,  met als belangrijkste de CO2-emissie.  Scenarioberekeningen laten zien de reductie voor alle broeikasgassen wereldwijd in 2050 tussen de 60-75 procent ten opzichte van 2010 zou moeten zijn. Doelstelling voor hernieuwbare energie in 2030 in Nederland zou 30 of 34 procent moeten zijn, gericht op een lineaire ontwikkeling naar 70 respectievelijk 85 procent in 2050. De opgave voor het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen is ook voor Nederland dusdanig groot dat er ingrijpende veranderingen nodig zijn in de productie-en consumptiesystemen. Met de studie wil het Planbureau voor de Leefomgeving beleidsopties aanreiken die nodig zijn om dit transitieproces krachtige impulsen te geven. De volgende vraagstelling staat centraal: met welke beleidsopties kan Nederland in 2050 de uitstoot van broeikasgassen met minstens 80 procent reduceren ten opzichte van 1990?  

Gebouwde omgeving: van kleine stapjes naar planmatige verduurzaming

Bij een emissiereductie van minstens 80 procent past het streven om bestaande gebouwen en woningen energieneutraal te maken, of beter nog: emissievrij. Dat kan door wijken gasvrij te maken, de woningen en gebouwen verregaand te isoleren en de resterende warmtevoorziening te elektrificeren. Het kan ook met de inrichting van een warmtenet met duurzame warmtebronnen als geothermie. Beide opties betekenen ingrijpende veranderingsprocessen voor de mensen die er wonen of werken.

Technische opties die het PBL noemt voor warmtevoorziening van de gebouwde omgeving met minimale CO2-emissies zijn: isoleren, toepassen van elektrische warmtepompen, warmtenetten gevoed met CO2-arme warmte zoals aardwarmte, bodemwarte, bio-wkk, en groene gas. Zelfs een fossiele centrale met CCS wordt genoemd.  Restwarmte van bedrijven kan een minder zekere bron van warmte zijn door afhankelijkheid van bedrijfsontwikkelingen.

Verkeer: ‘nulemissievoertuigen’ tot de standaard maken

Naast het stimuleren van nulemissievoertuigen, adviseert het PBL beleid om ervoor zorg te dragen dat er tijdig concrete plannen beschikbaar zijn. Dan pas is de (oplaad)infrastructuur op orde tegen de tijd dat nulemissievoertuigen een groot deel van het wagenpark gaan uitmaken.

Industrie: de vrijblijvendheid voorbij

Er is veel potentieel voor emissievermindering, met nieuwe generaties procestechnologie, met elektrificatie (ook in hybride systemen) en met de afvang en opslag van CO2. Advies is in Nederland te overwegen meer verplichtende beleidsinstrumenten in te zetten om de technische mogelijkheden beter en sneller te benutten. In situaties waarin dit tot duidelijke concurrentienadelen leidt, moeten regelingen ter ondersteuning of compensatie ingericht worden.

Bij landbouw, landgebruik en voedsel is de kern: minder consumptie van dierlijke producten.

Energievoorziening en brandstof

Inpassing van variabele bronnen als wind en zon in het systeem worden relevanter. Kosten hiervan zijn ook afhankelijk van de mogelijkheden voor opslag van de energie en de interconnectie binnen Europa. Daarbij past een beleidslijn waarin de hernieuwbare opties, inclusief de kosten voor inpassing in het systeem, tegen elkaar kunnen worden afgewogen. Belangrijk is beleid om op tijd klaar te staan om CO2 op te slaan (CCS) met de organisatie, infrastructuur en opslaglocaties. Dit is overigens een onderwerp waar landelijk een belangrijke rol ligt voor een partij die het oppakt, gemeenten hebben geen beleid op.

Bij de elektriciteitsvoorziening adviseert het PBL de voortrekkersrol in de transitie vast te houden. Het aandeel van hernieuwbare elektriciteit kan bij doorzetting van het lopende beleid met specifieke ondersteuning door bijvoorbeeld SDE+ (de CO2-prijs uit het ETS is onvoldoende) in 2030 al meer dan 40 procent zijn.

Verkennen en demonstreren van grootschalige aanpak bij de productie van groene brandstoffen blijft op de agenda. Het is zeker dat bepaalde vormen van transport (vooral lucht- en scheepvaart, wellicht ook vrachtverkeer) in 2050 nog afhankelijk zullen zijn van vloeibare brandstoffen.

Financiële prikkels en bewaken van de voortgang

Sturing op het complexe geheel van veranderingsprocessen heeft alleen kans van slagen als die krachtig en voortvarend genoeg is om voldoende snelheid in de transitie te houden. Algemeen geldende beleidsprikkels zijn van belang om CO2-arme technische systemen een voorkeurspositie te geven op de markt ten opzichte van vervuilende systemen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het gebruik maken van het ETS.

Bron: Planbureau voor de Leefomgeving PBL (2016), Opties voor energie- en klimaatbeleid, Den Haag: PBL.